Arno

De haven

Geschreven door Arno5 min lezen

Luister naar dit verhaal5 min

Ik doe mijn jas wat steviger dicht, de koude regen en wind voelt alsof het mijn botten direct raakt, en bel aan om mijn jonge collega Mats op te halen. Mijn collega ziet eruit alsof hij niet geslapen heeft, ik kan het me voorstellen om 02:00 s'nachts. Je wordt niet altijd je bed uit gebeld om naar de Rotterdamse haven te gaan. We stappen de politieauto in om op pad te gaan. De miezer en de donkere winterse dagen maken het zicht op de weg niet best. De ramen beslaan van onze warme adem. Op deze tijden zijn er in ieder geval geen files en kunnen we met een goed tempo bij de haven zijn. Mats vraagt me of ik al weet wat er gebeurd is. Het enige wat mij op dit moment duidelijk is, er is een moord gepleegd op brute wijze. We zijn even stil en staren beide naar buiten. Dit zijn voor ons geen van beiden de beste avonden, we zijn vaker bij moorden geweest die volgens de omschrijving een slachting waren. Het was nooit een mooi gezicht, en zeker iets om wakker van te liggen. "Denk je dat het dezelfde dader is?" Vraagt Mats. Ik weet het niet, maar het lijkt erop dat het dezelfde animo is, weer een aanslag om drugsterritorium. Maar goed, het kan net zo goed mensenhandel zijn. Ik merk dat ik nerveus ben, ik adem hoog en lijk wel te zweten. Hoeveel van dit soort zaken houd ik nog vol? De jaren beginnen aan me te vreten, elke nieuwe zaak lijkt zwaarder dan de vorige.

We komen aan bij de haven, de zwaailichten zijn in de verte te zien, het is duidelijk waar we heen moeten. Eenmaal uitgestapt voel ik direct de winterse kou door mijn lichaam trekken, mijn oude gewrichten zijn meteen gevoelig, ik zet mijn pet op, neem een diepe zucht en loop naar de openstaande container. Het is meteen zichtbaar wat voor bloedbad hier is aangericht, het ruikt naar ijzer en dood vlees. Dit is niet zomaar een brute moord, dit is eerder een slachting. In mijn ooghoek valt mij meteen een afgesneden been en arm op, waar de forensisch onderzoeker foto's van maakt. Gadver, hoe kun je toch zo ver komen dat je dit doet. Mijn oog dwaalt af naar de tafel waar de rest van het lichaam ligt. Ik vraag me af of de persoon op de ijzeren tafel heeft meegemaakt wat met hem is gebeurd. Het is niet gemakkelijk om de situatie in beschouwing te nemen, het komt zwaar op me neer. Het bloed, de stank, het beeld, het wordt me te veel. Ik zie opeens sterren en alles wordt zwart.

Mats

Ik wrijf in mijn ogen en word wakker, sjezus wat is het laat. Wie belt me in godsnaam op dit tijdstip. Walt belt, dat kan geen goed nieuws zijn. Met een gaap en prikkende ogen neem ik op, brute moord gepleegd, check. Komt me zo halen, check.

Ik doe een poging me te fatsoeneren tot de bel gaat, Walt is er al, dat had ik niet verwacht, ik zie er niet fris uit, dit moet het maar zijn, het is 02:00 's nachts. Eigenlijk ziet die ouwe er nog goed uit, wel wat bedenkelijk. Godsamme wat is het toch klere koud in dit land, gelukkig heeft Walt de verwarming in de auto al aangezet. Weet hij al iets over de moord?

Brute moord, check. Kan ik niks mee, dus we zien wel. Gelukkig houdt Walt vaak zijn kop, ik hou wel van rust. Ik stap uit. Jeetje wat een hoop politie hier, niet normaal. Kijken wat er is gebeurd. Blijkbaar in die container, we lopen er heen. Woooow wat een bloedbad, niet te geloven. Wat hebben ze hier uitgespookt? Kijk dan, armen en benen er af, wat een gekkigheid. En daar de rest op de tafel, ongelofelijk.

Ik hoor een doffe bons achter me, wat is dit nou? Walt op de grond, wat doet die ouwe nu dan. Hij is helemaal van de kaart, niet te geloven.

Ik ga maar mee naar het ziekenhuis, hij is compleet weg. Geen idee wat je dan doet,bloemen met een plastic ballon dan maar. Vindt hij vast leuk. Ik vraag de mooie zuster of ze weet wat er is, en ze begint een heel verhaal af te ratelen. Kort gezegd, ze heeft geen flauw idee, tenminste, ik denk dat ze dat bedoelt. Meer gelul kan ik niet hebben. Het zal wel, ik ga naar de zaak.

Walt

Ik doe langzaam mijn ogen open, alles is wazig en fel. Mijn ogen wennen langzaam aan het licht. Waar ben ik? Ik probeer me te oriënteren, ik zie gele bloemen in de hoek op een tafel staan en een lelijke plastic roze opblaasballon met "beterschap". Altijd hekel gehad aan die dingen, bedankt Mats. Hoe lang zou ik weggeweest zijn? Ik probeer te zitten, alles kraakt, en doet zeer, ik plof weer terug op het bed als de zuster toevallig binnenkomt.

"Goeie morgen meneer De Bos, hoe voelt u zich vandaag, u heeft een lelijke val gehad, kan me voorstellen dat je niet helemaal weet waar je bent, ik heb meerdere patiënten zoals u gehad hier hoor, wees gerust je bent in goede handen, de meeste mensen met deze kla......"

Deze vrouw praat te veel, waar heeft ze het over, ik stel maar een vraag tussendoor.

"Weet u hoe lang ik hier al lig?" vraag ik.

De zuster stopt met praten en vertelt me dat ik hier één nacht lig. Duidelijk. Ik doe mijn ogen weer dicht en vraag de zuster om wat water. Ze vertrekt, en net als ze de deur open doet, komt Mats binnen met een grijns op zijn gezicht. "Hey ouwe, je leeft nog?" "Nog lekker gedroomd over die arm en benen."

Het zuur komt naar boven na die opmerking en ik kijk Mats vol ongeloof aan. Is deze jongen totaal ongevoelig, of is dit zijn coping-mechanisme. Hoe dan ook, ik kan dit niet meer.

Mats

Saaie avond zonder Walt, niet de beste gezelschap, maar hij is ok. Hoe zou die zijn? Eenmaal in het ziekenhuis. Kom ik bij zijn kamer met een steengoede grap. Walt vond van niet. Hij ziet er niet uit, wat doet die kerel toch ingewikkeld.


Volgende verhaal- Klem